Moeder weet het beter

Mijn vrouw schrok zich een aap toen ik met onze Ford fiesta en nieuwe bagagewagentje thuiskwam. Ze schudde haar hoofd en zuchtte diep.
“Je gaat me toch niet vertellen dat we daarmee op vakantie naar Frankrijk gaan?”

Ik lachte breed. “Tuurlijk wel. Moet je eens kijken wat een extra ruimte.” Ik stapte uit de auto en opende het deksel van het aanhangwagentje. Natuurlijk, het karretje was maatwerk van een verwarde doe-het-zelver, ik geef het toe, en gemaakt van groen geverfde constructietriplex met rode ijzeren stangen, maar wat gaf dat? Het was functioneel en zou ons een geweldige vakantie bezorgen.

Jozefien haalde haar neus op toen ze de lichtelijk vermolmde binnenkant inspecteerde. “Bas…dit kan niet.”

“Niet moeders mooiste. Dat weet ik ook wel,” gaf ik ruiterlijk toe, “maar het was een koopje op Marktplaats en geld speelt voor ons nog altijd een rol. Hier kunnen we de tent mooi in kwijt en dan kan onze vakantie in Frankrijk echt beginnen.”

Toen ik het deksel weer liet neervallen schudde en rammelde het wagentje vervaarlijk op zijn roestige frame. Jozefien slaakte een kreetje van afschuw.

“Vooruit vrouw,” zei ik terwijl ik me afvroeg waarom Jozefien me niet wat meer steunde in mijn economische strijd. “Vakantie is duur genoeg en dit ding werkt. Zelfs de lichten doen het.”

Ook de kinderen protesteerden luidkeels, maar nadat ik de orde had hersteld door hard met de vuist op tafel te slaan begrepen ze dat ze hun mond moesten houden en zaten ze die avond met sombere gezichten zwijgend hun boterhammetjes op te eten.

Gelukkig is Vaders wil nog altijd wet. Tenminste bij ons wel. Gerard en Jan-Jaap zijn tenslotte te jong om het leven te begrijpen en mijn vrouw…Ja, wat moet ik daar nu over zeggen? Soms is het leven gewoon hard en een eenzame beproeving door de diepe dalen van onbegrip.

Dus toen ik de volgende dag de tent in de aanhanger had gekieperd kon het startsein voor de vakantie in Frankrijk gegeven worden. Bordeaux, Toulouse, de Dordogne…Here we come. De kinderen keken voortdurend angstig achterom om te zien of het karretje wel meekwam en ook Jozefien leek niet op haar gemak.

“Het gaat regenen, Bas,” zei ze na een tijdje met een grafstem terwijl ze door de voorruit naar de hemel staarde.

“Nou en? Wij zitten lekker droog.” Daar hoefde ik toch zeker geen woorden aan vuil te maken. Maar toen we bij Gognies-Chaussée Frankrijk binnenreden barstte het noodweer los. De regen stroomde met bakken uit de hemel en de weg stond in een mum van tijd letterlijk blank en ik kon werkelijk geen tien meter voor me uit zien.

“Stop de auto,” schreeuwde Jozefien hees, terwijl haar neusvleugels trilden van de spanning.

Wij waren net bij een benzinestation met een smoezelig restaurant aangekomen. Misschien konden we daar een hapje eten en een goede pauze inlassen.

“Zet ons maar af onder het afdak van het restaurant,” zei Jozefien toonloos nadat ik mijn voorstel had gedaan. “En laten we eens kijken of onze tent en de koffers nog droog zijn.”

Dat was een goed idee.

Ik opende het roestige slotje van het deksel en trok het krakende geval open.

Jozefien trok bleek weg en de kinderen gilden van ontzetting.

Toegegeven, het zag er niet goed uit.

Het karretje was veranderd in een badkuip en de tent was ondergedompeld in het grauwe regenwater.

“Dat wordt een hotel vanavond, Bas,” zei Jozefien dreigend. Dat stond de kinderen wel aan en ze schreeuwden opgewonden dat ze naar de Holiday Inn wilden met het verwarmde zwembad.

“Onzin,” zei ik verbolgen. “Veel te duur. Een hamburger is nog tot daar aan toe, maar een hotel…dat kan bruin niet trekken. We zetten de kachel hoog en stouwen de tent achterin tegen de achterruit. Een klein beetje ongemak voor een geweldige vakantie.”

“Ben je nou helemaal,” zei Jozefien nog. “Dat natte ding?”

Maar zoals ik al eerder zei, Vaders wil is wet. Zo hoort het ook en dus stuurde ik mijn opstandige familieleden het restaurant in en begon ik met het overladen.

Het viel me op hoe onfris het er rook en toen ik eens goed om me heen keek zag ik dat wij vlak naast een enorme hoop afval geparkeerd stonden. Er lagen misschien wel vijftig vuilniszakken van het restaurant opgestapeld. Wat zullen wij nou krijgen?

“Staking,” sprak iemand met een Vlaams accent achter me. Ik draaide me om en keek in het grijnzende gezicht van een Belg die net het restaurant uitkwam. “De vuilnisdienst staakt al drie dagen. Fransen hè.”

“Ah,” zei ik begrijpend en haalde toen mijn schouders op. Mijn probleem was het niet en al snel had ik het druipende gevaarte uit het karretje gesleurd en lag het warmpjes tegen de achterruit.

 

***

 

Toen wij vier uur later het zacht glooiende terrein van Camping Gauloise opreden was de zon inmiddels door de wolken gebroken. Zelfs Jozefien scheen weer nieuwe moed te hebben gevat.

“Het is hier wel erg mooi, Bas,” zei ze opgelucht.

“Natuurlijk,” antwoordde ik tevreden. “Ik zoek altijd de beste plekjes uit voor een vakantie in Frankrijk.”

Jan-Jaap en Gerard stormden direct de auto uit om te gaan voetballen, maar dat kon natuurlijk niet.

“Eerst helpen met de tent,” baste ik.

En zo kwam het dat wij de tent met vereende krachten de Ford weer uitsleurden.

“Nat,” zei Jozefien terwijl ze het vochtige gevaarte onderzocht en haar neus optrok.

“Natuurlijk,” zei ik geïrriteerd. “Maar dat ding is zó droog in de wind.”

“Het stinkt hier,” zei ze weer en begon uitbreid te snuiven.

“Ja,” beaamden Gerard en Jan-Jaap. “Jakkes…wat een stank.”

Nu rook ik het ook. Het was dezelfde geur die ik bij het benzinestation ook al geroken had.

“De vuilnisdienst staakt in Frankrijk,” zei ik. “Heb ik van een Belg gehoord. We zullen het er mee moeten doen.”

Ik had de tent nu eindelijk uit de zak en terwijl ik het doek uitrolde zei ik: “Gerard, de tentstokken liggen nog in het karretje. Haal jij die even op. Het karretje is nog open.”

Gerard slofte naar de aanhanger en opende het deksel. Hij liet het ding direct weer vallen en staarde me met grote ogen aan.

“Pa…wat moeten we met al die zakken?” vroeg hij ontdaan.

“Zakken? Wat voor zakken?”

“Nou gewoon…Al dat vuilnis?”

Ik liep naar het karretje en zwaaide het deksel weer open. Jozefien keek over mijn schouder mee en schreeuwde het uit van ontzetting.

Daar in mijn groen geverfde, licht vermolmde aanhangertje lagen acht vieze en half opengescheurde vuilniszakken van het restaurant in Gognies-Chaussée. Ik vloekte en keek getergd om mij heen. Iemand had mijn karretje beschouwd als een vrijwillige vuilnisdienst.

De eigenaar van de camping kwam net aanlopen en snoof luidruchtig met zijn neus.

“Wat denk je, Bas,” zei Jozefien. “Misschien kunnen we onze vakantie in Frankrijk beginnen in de Holiday Inn?”

Ik zuchtte en wist dat ze gelijk had. Goed, Jozefien,” zei ik verslagen.

       Moeder weet het tenslotte toch altijd beter.